Stuurgroep Van Peteghemorgel

 

Het orgel - Dispositie
Stuurgroep Van Peteghem Orgel

 

Grand Orgue:                                   
Montre 8
Bourdon 16
Prestant 4
Doublette 2
Nasard 3
Fourniture IV
Sesquialter II Bas/Sup.
Cornet VI
Bourdon 8
Flute Travers 8
Flute 4
Flute Champêtre 4
Flute d'Armonie 2
Dulciana 8 Sup.
Clarinette 8 Bas/Sup.
Bombarde 16
Trompette 8 Bas/Sup.
Clairon Bas 4
Rossigno l

Positive:
Bourdon 8
Flute Travers 8
Prestant 4 
Doublette 2
Flute 4 Bas/Sup.
Piccolo 2
Nasard 3
Trompette 8 Bas/Sup.
Basson Bas 8
Hautbois 8 Sup.

orgel speeltafel
   

detail speeltafel

  Pedale:
Bourdon 16*
Flute 8*
Prestant 4**
Fourniture III**
Basson 16* 

* 1923
**1983
 
  Tessituur:  C - c'''',  C - d' (Ped.)
Koppels:   II + I,  Ped. + I,  Ped. + II
Toonhoogte:  a' = 440 Hz 
Winddruk:  105 mm
 
 

Toelichting:
Pierre Van Peteghem (1792-1863) bouwde in 1847-48 een orgel in de traditie van de 17de en 18de eeuw. Enkele hoofdkenmerken van deze traditie zijn:

  • Pakweg tot aan 1900 werden delen van de katholieke eredienst volledig muzikaal vertolkt. Orgelspel en zang wisselde met elkaar af (alternatim-praktijk). Het koor werd gevormd door een relatief kleine groep zangers. Van een orgel werd verwacht dat het in afwisseling met het koor een rijke schakering aan klankkleuren en talrijke registercombinaties auditief kon tentoonspreiden.
  • In tegenstelling met protestantse kerken werden orgels niet gebruikt om samenzang van de kerkgemeente te steunen. Het produceren van een groot volume was geen noodzaak.
  • Doorheen Europa werden orgels voorzien van een voetklavier. Dit was in beginsel een hulpmiddel voor de organist om onbereikbare toetsen, vaak lage tonen van de bas, toch te kunnen te spelen. Het (kist)pedaal bestond meestal uit enkele toetsen.  In bepaalde streken van Europa wordt het voetklavier verder uitgebreid met meer toetsen en kan het zelfstandige registers toebedeeld krijgen. Het is Johann Sebastian Bach en enkele directe Duitse voorlopers die het onafhankelijk (of obligaat) pedaalspel tot grote hoogte brengen. Pas in de 19e eeuw wordt deze lijn verder gezet. Het is onjuist het aangehangen pedaal te beschouwen als een occasionele afleiding van het zelfstandig pedaal. Het is omgekeerd. Het aangehangen pedaal was norm in Europa. Het zelfstandig pedaal is hieruit ontwikkeld en pas tot algemene norm verheven in de 19de eeuw.

Uit de orgelkeuring van 1849 van het orgel in Onze-Lieve-Vrouw-Sint-Pieterskerk blijkt dat Pierre Van Peteghem nog steunt op deze oude traditie, ondanks dat er nieuwe tendensen waaien doorheen Europa.

  • Zo krijgt hij kritiek op de overvloed aan registers. Inderdaad is elke registerfamilie (prestanten, tongwerken, fluiten) zeer sterk vertegenwoordigd en rijk uitgebouwd.
  • De windvoorziening kon het gelijktijdig gebruik van grote hoeveelheden registers niet aan. Van Peteghem stelt dat het orgel (de dispositie) met vakmanschap is samengesteld en enkel vraagt om een goede organist.
  • Keurders geven kritiek op het ontbreken van een zelfstandig pedaal. Het oorspronkelijk pedaal was aangehangen aan het laagste octaaf van het hoofdwerk.

De examinatoren uit het midden van de 19de eeuw waren voor een belangrijk deel al vertrouwd met nieuwe opvattingen over orgels en orgelbespeling (de romantiek).  Het orgel was in 1849 een anachronisme. Het mag beschouwd worden als één van de laatste creaties van de Gentse orgelbouwdynastie Van Peteghem.

 

© 1997 - 2016 Stuurgroep Van Peteghem Orgel